Astronomen hebben ver buiten de baan van Neptunus een ijswereld ontdekt die gemiddeld één omloop rond de zon maakt in de tijd dat Neptunus dat tien keer doet. Deze ijswereld, 2020 VN40, is daarmee het eerste trans-Neptunisch object met zo’n grote baan resonantie. Het verre object behoort waarschijnlijk tot een grote populatie van ijswerelden die dichter bij de zon zijn ontstaan, maar al snel daarna door de zwaartekracht van enkele reuzenplaneten buitenwaarts werden geslingerd. De verre wereld is ontdekt in het kader van het project LiDO (Large inclination Distant Objects), een fotografische speurtocht met de Canada-France-Hawaii Telescope en de Gemini North Telescope op Mauna Kea (Hawaii) en de Magellan Baade-telescoop op de Las Campanas-sterrenwacht in Chili. Het object draait in ongeveer 1700 jaar in een zeer langgerekte baan om de zon. Het verste punt ligt op ongeveer 1740 astronomisch eenheden en het meest nabije punt op 38 AE, dus een stukje buiten de baan van Neptunus. Zijn baan helt 33 graden op het baanvlak van Neptunus. Vele van de ooit weggeslingerde trans-Neptunische objecten (TNO’s) zijn in de greep van Neptunus gebleven of gekomen. Bijna de helft van hen heeft een baanresonantie tussen 1:1 tot 6:1. Maar zo’n resonantie kan door zwaartekrachtstoringen van de reuzenplaneten ook weer worden verbroken. Rosemary Pike en collega’s hebben onderzocht hoe de toekomst er voor 2020 VN40 uitziet. Daaruit blijkt dat de baanresonantie met Neptunus in ieder geval gedurende de komende 30 miljoen jaar verzekerd is. Na deze periode kan de richting van de lange as van dit object – en dus ook van het punt van kortste afstand tot de zon –overgrote hoeken gaan verdraaien. Hoewel de vorm en grootte van de baan zelf vrijwel constant blijven, zal de baanresonantie uit eindelijk door deze periheliumverschuiving worden verbroken. Over zo’n 300 miljoen jaar is de kans hierop fifty-fifty, maar over een miljard jaar is het vrijwel zeker. Volgens de astronomen zijn er waarschijnlijk nog vele TNO’s met een baanresonantie van 10:1, maar zijn die vanwege hun grote baanhelling moeilijk op te sporen. (GB/Planetary Science Journal 6: 156) (Image credit: Rosemary Pike/CfA)
