Komeet 31/ATLAS door ontgassing ietsjes uit koers gebracht

stipmedia

Ook bij de interstellaire komeet 31/ATLAS is een niet-gravitationle versnelling gevonden. Dat is een versnelling die niet door de zwaartekracht van de zon of een planeet wordt veroorzaakt, maar door de reactiekracht van gassen die uit de kern van een komeet ontsnappen en met name die van kooldioxide. Deze gassen werken als een soort raketmotortjes die de komeet uit zijn koers duwen. Omdat het hier om een heel zwakke kracht gaat, kan die alleen worden aangetoond als de beweging van de komeet heel nauwkeurig wordt gevolgd. Dat lukt echter niet als de komeet vanaf de aarde gezien in de richting van de zon staat, dus overdag of in de schemering. Dat was met 31/ATLAS in de periode van september tot december het geval, rond de tijd dat de komeet – tussen de baan van de aarde en Mars – zijn kortste afstand tot de zon bereikte. Astronomen hadden al berekend dat tijdens die periode elf ruimtesondes zich op gunstige posities in het zonnestelsel bevonden om de komeet wél goed te kunnen waarnemen. Bijvoorbeeld met de camera waarmee zij zich op de sterren oriënteren. Bij de eerste analyses hiervan is alleen nog gebruik gemaakt van de waarnemingen van Psyche, die op weg is naar Jupiter, en de om Mars draaiende Trace Gas Orbiter. In combinatie met de al eerder vanaf de aarde gemeten posities konden Marshall Eubanks en collega’s de komeetbaan nu zo nauwkeurig berekenen dat ook een niet-gravitationele versnelling aan het licht kwam. En hieruit kon ook de massa (44 miljoen ton) en de diameter (200 tot 370 meter) van de komeetkern worden afgeleid. De versnelling door ontgassing komt goed overeen met die van ‘autochtone’ kometen en ook met die van ‘Oummuamua, het interstellaire object dat in 2017 ons zonnestelsel doorkruiste (Zenit juni 2024, blz. 34-37). Deze tijdelijke bezoeker vertoonde echter geen tekenen van ontgassing, wat voor sommige astronomen aanleiding was om te suggereren dat dit object misschien een buitenaards ruimteschip was. Dat kan nu bij komeet 31/ATLAS in ieder geval worden uitgesloten. (GB/Res. Notes AAS 9: 329) (Image credit: International Gemini  observatory/NOIRLab/NSF/AURA/B. Bolin)

Kunnen windparken buitenaards leven verraden?

stipmedia

In de jacht op tekenen van buitenaardse beschavingen gaat niets te ver. De jacht bestaat traditioneel uit het zoeken naar onnatuurlijke licht- en radiosignalen uit het heelal en naar sporen in het spectrum van exoplaneten die op biologische activiteit of onverklaarbare ‘vervuiling’ zouden kunnen wijzen. Twee Amerikanen hebben daar nu iets nieuws aan toegevoegd: tekenen van windparken. Jacob Haqq Misra (wetenschappelijk onderzoeker op het Blue Marble Space Institute in Seattle) en Mykhaylo Danylov (sciencefictionschrijver) werden geïnspireerd door de ontdekking van hypersone winden op de exoplaneet WASP-127b. Die planeet draait op een heel korte afstand rond zijn ster en wel zodanig dat het ene halfrond constant naar de ster is gericht en het andere halfrond ervan af. Door het enorme temperatuurverschil tussen de dag- en nachtzijde treden aan de terminator windsnelheden tot 9 kilometer per seconde op. Deze hypersone winden zouden een belangrijke bron van energie kunnen zijn voor een technologisch ontwikkelde beschaving op zo’n planeet, aldus de twee Amerikanen. Die energie kan gewonnen worden door langs de terminator van de planeet windparken te bouwen. Dat leidt tot een verstoring van de langsrazende lucht. Windparken op aarde doen dat ook, maar die zijn daarbij vergeleken peanuts. Op WASP-127b zouden daardoor grote schokgolven ontstaan en de hypersone winden als gevolg van wrijving tot duizend graden worden verhit – en dus infrarode straling uitzenden. Zulke verstoringen zouden duidelijk afwijken van die veroorzaakt door natuurlijke structuren, zoals bergruggen. Als zulke verschillen in de atmosfeer van een exoplaneet zouden worden waargenomen, kan dat mogelijk op een buitenaardse beschaving wijzen. De twee Amerikanen tonen verder geen berekeningen en gaan ook niet in op de (logische) vraag of er in zo’n extreem milieu wel windparken gebouwd kunnen worden en overeind blijven. En ook niet of in zo’n razende atmosfeer überhaupt wel leven mogelijk is. Ze besluiten droogweg dat ‘het waard is om op de mogelijkheid van zulke technosignatures te wijzen omdat de waarnemingen van exoplaneten steeds nauwkeurige worden’. (GB/Res. Notes AAS 9, nr. 10) (Image credit : Wikipedia/Vattenfall)

Ring rond Chiron nog volop in groei

stipmedia

Het ringenstelsel rond Chiron is momenteel nog niet af, maar in opbouw, aldus een publicatie van maar liefst 57 waarnemers en onderzoekers. Chiron is een centaur die tussen de banen van Saturnus en Uranus om de zon draait en af en toe komeetactiviteit vertoont. De eerste tekenen van een ringenstelsel werden in de jaren negentig tijdens sterbedekkingen gevonden en sindsdien zijn er steeds meer details bijgekomen. Chrystian Pereira en medewerkers analyseerden waarnemingen verricht sinds 2011. De resultaten wijzen nu op een stelsel van minstens drie ringen op afstanden van 273, 325 en 438 kilometer van het centrum van Chiron. De eerste, binnenste ring is 200 tot 800 meter breed en de tweede 600 tot 900 meter. Hun omlooptijden lijken gekoppeld aan de rotatietijd van Chiron, waarbij één omloop van de ringdeeltjes even lang duurt als twee respectievelijk drie rotaties van de centaur. De derde ring is onvolledig en heeft een breedte variërend van 7 tot 44 kilometer. Hij doet denken aan F-ring van Saturnus en de ringbogen rond Neptunus. De drie ringen bevinden zich in een stofschijf die zich uitstrekt tussen 200 en 800 kilometer van Chiron’s centrum. Deze schijf werd ontdekt tijdens een sterbedekking in 2023 en was in 2018 nog niet gesignaleerd. Dat zou betekenen dat hij hierna is ontstaan en misschien wel door de komeetachtige uitbarsting die Chiron in 2021 vertoonde. Die zou voldoende materiaal voor deze schijf hebben kunnen leveren. Een andere mogelijkheid is het uiteenvallen van een maantje tussen de ringen. In 2023 werd ook een vage, circa 90 kilometer brede stofring op 1380 kilometer van Chiron ontdekt. Zijn bestaan moet echter nog door verdere waarnemingen worden bevestigd. Maar hoe het ook zij, de opeenvolgende sterbedekkingen maken duidelijk dat de ringen geen constante dichtheid hebben en ook niet permanent bestaan. De astronomen suggereren dat we hier voor het eerst getuige zijn van het ontstaan en de evolutie van een ringenstelsel rond een van de kleinere hemellichamen in het zonnestelsel. (GB/Astrophysical Journal Letters 992: L19)  (Image credit: Chrystian Pereira e.a.)

Lancering van Crew 12 naar het Ruimtestation ISS

stipmedia

Op vrijdag 13 Februari werd Crew12 gelanceerd vanaf lanceerplatform 40 op Space Force Station. Er waren 4 astronauten aan boord waar onder een Franse astronaute. Namelijk Sophie Adenot en 2 Amerikanen Jessica Meir en Jack Hathaway en de Rus Andrej Fedjajev. Eerst werden we vervoerd naar het O&C building (Operation&Checkout Building) waar de astronauten naar buiten komen en in Tesla’s vervoerd worden naar de raket ongeveer 4 uur voor lancering. De lancering vond plaats met een SpaceX Falcon9 raket en de Capsule werd gedoopt met de naam Freedom. De astronauten blijven ongeveer 6 maanden aan boord van het Ruimtestation. Omdat ik toestemming had om op de Press-site te komen kon ik alles bijwonen en vandaar werden we vervoerd naar een plek op het terrein minder dan 2 mijl van lanceerplatform om de lancering bij te wonen daar begon het aftellen en 3,2,1 en daar ging Crew12 wat een hevig geluid en lichtkegel ! Ongeveer 8 minuten na de lancering komt de eerste trap terug normaal land deze op landings zone 1 of 2 maar nu voor het eerst vlak bij lanceerplaats .We zagen de reentry-burn en daarna de landings-burn en toen de 2 harde knallen de zogenaamde sonic-boems. Het was weer een mooie ervaring. Daarna gingen we terug naar Press-site voor de Postlaunch News Conference ,met aanwezig NASA Administrator Jared Isaacman en Steve Stich, manager, Commercial Crew Program, NASA en Dana Weigel, manager, International Space Station Program, NASA .

en foto’s Rob v.Mackelenberghfoto’s Rob v.Mackelenberghfoto’s Rob v.Mackelenbergh
foto’s Rob v.Mackelenberghfoto’s Rob v.Mackelenberghfoto’s Rob v.Mackelenbergh

Tekst en foto’s Rob v.Mackelenbergh

 

Microbliksem op Mars gedetecteerd

stipmedia

Bliksem is een van de meest indrukwekkende manifestaties van elektrische ontladingen in de atmosfeer van een planeet. Die bliksem komt niet alleen voor op de aarde, maar is ook waargenomen op Jupiter en Saturnus. Al sinds lang wordt vermoed dat ook in de atmosfeer van Mars elektrische ontladingen zouden kunnen plaatsvinden. Zulke ontladingen zijn nu waargenomen door Perseverance, de Marsverkenner die in 2021 op de rode planeet landde. De rover heeft een microfoon die geluiden uit zijn directe omgeving detecteert. Hiermee werden in twee Marsjaren (dus vier aardse jaren) tijdens 28 uur ‘luisteren’ 55 signalen opgevangen die op elektrische ontladingen wijzen. In sommige gevallen werd ook het radiosignaal hiervan opgevangen. De meeste signalen bleken samen te hangen met stofhozen en stofstormen die langs of over de Marsrover trokken. Dat is volgens Baptiste Chide en collega’s het bewijs dat wind en stof een cruciale rol spelen bij het optreden van elektrische activiteit. Stof- en zandwolken in de Marsatmosfeer kunnen – net zoals in woestijnen op aarde – door onderlinge wrijving een statische elektrische lading krijgen. De daaropvolgende ontladingen veroorzaken op Mars echter geen imposante bliksemflitsen, maar slechts kleine kortdurende vonkjes. Net zoals tijdens bijvoorbeeld het uittrekken van een wollen trui. En het is nog maar de vraag of die vonkjes op Mars ooit gezien zullen worden. Aangezien elk jaar duizenden stofstormen op Mars plaatsvinden, zijn die waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de ’elektrificatie’ van de Marsatmosfeer. En die zou volgens de onderzoekers ook een belangrijke aanjager van chemische reacties kunnen zijn. Ze zouden onder andere oxiderende verbindingen kunnen laten ontstaan, die de levensduur van eventuele organische verbindingen verkorten. De microbliksems kunnen echter ook storingen in voertuigen op Mars veroorzaken. Tot nu toe zijn er op dit gebied nog geen problemen gemeld, waarschijnlijk doordat deze voertuigen goed zijn ‘geaard’ zijn (een goed contact met de bodem hebben). De Russische Mars 3, die in december 1971 tijdens een zware stofstorm landde, gaf echter al binnen twee minuten de geest. Mogelijk als gevolg van een elektrische ontlading. (GB/Nature 647, blz. 857 en 865) (Image credit: NASA/JPL-Caltech)

Verrassende sterbedekking door Jupiter-Trojaan Antenor

stipmedia

Een sterbedekking door een van de Trojanen van Jupiter heeft iets intrigerends opgeleverd. De Trojaan, officieel (2207) Antenor, is een van de grootste Trojanen van Jupiter en behoort tot de groep planetoïden die in de baan van Jupiter 60 graden vóór Jupiter uit met de planeet mee om de zon draait. Antenor schoof in 2021 drie maal precies voor een ster langs, die daardoor even geheel verdween. Maar tijdens één van die bedekkingen kwam de ster tijdens de eclips ook weer heel even tevoorschijn. De bedekkingen vonden plaats op 12 juni, 10 juli en 26 augustus 2021 en werden waargenomen vanuit Europa en Noord-Amerika. Met als doel het bepalen van de grootte en vorm van Antenor. Dat is mogelijk door het combineren van de duur (of het ontbreken) van eclipsen die vanaf verschillende posities op aarde worden waargenomen. Zo konden Feliphe Ferreira en collega’s uiteindelijk afleiden dat het 2D-silhouet van Antenor afmetingen van 96 bij 109 kilometer heeft. De eerste eclips werd door slechts één waarnemer gedetecteerd, maar was wel het meest verrassend. Hij duurde zeven seconden, maar halverwege floepte de ster weer even aan en uit. Deze variatie zou volgens de astronomen te groot zijn geweest om door instrumentele ruis te zijn veroorzaakt. Het was alsof de ster heel even door een soort dal heen scheen. Deze oppervlaktestructuur zou dan zo’n elf kilometer breed moeten zijn geweest, een forse waarde gezien de gemiddelde diameter van Antenor. Een andere mogelijkheid is dat deze Trojaan een begeleider heeft die er los-vast tegenaan zit of er in een nauwe baan omheen draait. Dat zou dan wel impliceren dat Antenor een grilliger vorm heeft dan de nu berekende eenvoudige ellipsoïde. In 2018 had de Amerikaanse amateurastronoom Robert Stephens overigens ook al uit een geringe helderheidsvariatie van Antenor afgeleid dat hij een begeleider zou kunnen hebben. Antenor staat niet in het lijstje van Trojanen die in de jaren dertig door de Amerikaanse ruimtesonde Lucy worden bezocht, maar dat kan te zijner tijd veranderen. (GB/Astronomical Journal 170: 160) (Image credit: Feliphe Ferreira e.a.)

Oortwolkkomeet heelhuids op de terugweg

stipmedia

De komeet die uit de Oortwolk kwam en langs de zon scheerde heeft – in tegenstelling tot eerdere berichten – die passage toch overleefd. Komeet C/2021 O3 werd ontdekt op 26 juli 2021, toen hij net binnen de baan van Jupiter was. Zijn baan wees erop dat hij uit de Oortwolk kwam en dus een ‘verse’ komeet was die eerder niet vaak en misschien wel nooit in de buurt van de zon is gekomen. Zijn paraboolbaan impliceerde dat hij ook weer naar zijn herkomstgebied zou terugkeren. Als hij de passage langs de zon, op 21 april 2022, tenminste zou overleven. Die vond plaats binnen de baan van Mercurius, waardoor C/2021 O3 zou worden blootgesteld aan temperaturen tot boven de 400 oC. Het was dus niet zo verrassend dat waarnemers de komeet na de periheliumpassage niet meer op de berekende posities konden vinden. Hij leek te zijn gedesintegreerd en verdwenen. Uit nieuw speurwerk, verricht onder leiding van de Amerikaanse astronoom David Jewitt (Universiteit van Californië in Los Angeles), blijkt dat C/2021 O3 zijn vlucht langs de zon toch heeft overleefd. De komeet is teruggevonden op opnamen gemaakt met de zonnesatelliet STEREO-A, op de Calar Alto-sterrenwacht in Zuid-Spanje en ook door de Belgische kometenjager Alphons Stevens en zijn Oostenrijkse collega Michael Jaeger. De opnamen maken nu ook duidelijk waarom eerdere waarnemers de komeet niet konden terugvinden. Hij was een factor 25, ofwel 3,5 magnituden, zwakker dan verwacht. De oorzaak van deze verzwakking hebben Jewitt en collega’s niet kunnen achterhalen. De meest aannemelijke verklaring is dat het (mede) om een soort seizoeneffect gaat. Het halfrond dat vóór de periheliumpassage door het zonlicht werd bestraald – en verdampt – was mogelijk niet hetzelfde als dat na deze passage. Dat zou tot verschillen in verdamping c.q. helderheid kunnen leiden. Maar omdat de richting van de rotatieas van de komeetkern niet bekend is, blijft deze verklaring speculatief. Hoe het ook zij, komeet C/2021 O3 is nog springlevend en weer op de weg naar de verre Oortwolk. (GB/Astronomical Journal 170: 142) (Image credit: Michael Jaeger)

Ultra-metaalarme ster in de halo van het Melkwegstelsel

stipmedia

Astronomen hebben in de halo rond het Melkwegstelsel een ster gevonden die daar niet thuishoort. Dat gebeurt wel vaker, maar deze valt op doordat zijn atmosfeer ultra-metaalarm is, dus extreem weinig elementen zwaarder dan helium bevat. Hij is een getuige uit de vroegste periode van een ster die nog vrijwel niet door zwaardere elementen is verrijkt. Bovendien heeft de ster een opvallend hoge snelheid. De ster, GDR3-526285,werd ontdekt in het databestand van de Europese Gaia-satelliet. Via een speciale techniek werden hierin spectra opgespoord met heel zwakke spectraallijnen die karakteristiek zijn voor ‘metalen’. Het gevonden spectrum, van een rode reuzenster, werd vervolgens verder onderzocht met de Magellan Clay-telescoop op de Las Campanas-sterrenwacht in Chili. Daaruit bleek dat de totale massa van de metalen in GDR3-526285 minstens een miljoen maal kleiner is dan de totale massa van zijn waterstofgas. GDR3-526285 is daarmee vergelijkbaar met SDSS J102915, de meest ultra-metaalarme ster die zich in de schijf van het Melkwegstelsel bevindt. De mede-recordhouder bevindt zich in het buitenste deel van de halo van het Melkwegstelsel. Hij heeft daar een snelheid van ruim 400 kilometer per seconde en dat is veel groter dan de snelheid van andere sterren in dat gebied. Dat maakt het volgens Guilherme Limberg en collega’s aannemelijk dat de ster iets te maken heeft met de Magelhaense Wolken, de twee grootste satellieten van het Melkwegstelsel die zich ook in die richting – maar dan verder weg – bevinden. De astronomen suggereren dat de oorspronkelijke baan van GDR3-526285 door de huidige nadering van het tweetal satellieten kan zijn veranderd, of dat de ster oorspronkelijk tot de Grote Magelhaense Wolk behoorde en daar recentelijk door de zwaartekracht van het Melkstelsel is uitgetrokken. De astronomen hebben deze mogelijkheid onderzocht door de baan van GDR3-526285 drie miljard jaar terug te rekenen. De kans op een ‘overname’ van de ster door het Melkwegstelsel blijkt dan iets groter dan 50 procent te zijn, dus vrij reëel. (GB/Astrophysical Journal Letters 989: L 18) (Image credit: Gurtina Besla e.a., 2016)

Ook Mars heeft een vaste binnenkern

stipmedia

Van Mars was al bekend dat hij een vloeibare kern heeft. Nu hebben astronomen ook sterke aanwijzingen gevonden dat het centrale deel van deze kern, de binnenkern, vast is. Dat blijkt uit een analyse van seismische metingen verricht door het Seismic Experiment for Interior Structure, kortweg SEIS. Dat werd in 2019 door de Marsverkenner InSight op de rode planeet gezet en was de eerste seismometer op een andere planeet dan de aarde (Zenit mei 2018, blz. 24-25). Huixing Bi en collega’s analyseerden de signalen van 23 bevingen op Mars. Deze bevingen, onder andere veroorzaakt door meteorietinslagen, creëren golven die langs verschillende wegen door de planeet naar de seismometer snellen en onderweg worden afgebogen en gereflecteerd. Sommige gaan door de kern van Mars. Uit de sterkte en reistijden van de verschillende soorten golven kunnen de structuur en samenstelling van het inwendige worden afgeleid. De astronomen ontdekten dat sommige golven 50 tot 200 seconden sneller bij de seismometer arriveerden dan werd verwachten als de kern van Mars geheel vloeibaar zou zijn. Een deel daarvan was dus vast, net zoals die van de aarde en de maan. Deze binnenkern zou een straal van ruwweg 600 kilometer hebben, of wel 18 procent van de straal van de gehele planeet. De temperatuur aan het grensvlak zou tussen de 1800 en 2100 Kelvin liggen en de dichtheid van de materie zou er met zo’n 7 procent toenemen. Onder zulke omstandigheden kan het vloeibare ijzer (en nikkel) in de kern gaan kristalliseren. De aanwezigheid van een kleine, vaste binnenkern heeft ook invloed op de ‘geodetische’ eigenschappen van Mars, zoals zijn vorm, de oriëntatie van zijn rotatieas en de eigenschappen van zijn zwaartekrachtveld. Helaas werden de metingen van SEIS in 2020 gestopt, zodat er geen nieuwere Marsbevingen meer gedetecteerd kunnen worden. Verdere analyses van de huidige metingen en mogelijk toekomstige Marsmissies zijn volgens de onderzoekers gewenst. Het huidige wetenschappelijke ‘klimaat’ in de Verenigde Staten staat er echter vooral voor dit laatste niet zo gunstig voor. (Nature 645, blz. 50 en 67) (Image credit: Nature)